4 fasen in de geschiedenis van het reizen

In mijn vorige blog schreef ik over het reizen als ‘drang naar elders’. In de loop der jaren is er heel wat veranderd.

Reizen in de Middeleeuwen: religieus

De toegenomen drang om te reizen is niet alleen het gevolg van de groei aan technische en economische mogelijkheden. Ook de waarden, de normen en de motieven zijn veranderd. In de Middeleeuwen reisde de pelgrim uit religieuze motieven. Niet om het genoegen van de reis zelf, maar in de hoop om God te ontmoeten. Vanaf de Renaissance gaat de mens zich meer richten op de materialistische wereld. De nieuwe reizigers zijn wetenschappers, koopvaarders en ontdekkers op zoek naar kennis en naar economische en politieke expansie.

Op reis in de 17e en 18e eeuw: ontplooiing

In deze eeuwen was het reizen een serieuze zaak: dé manier om kennis op te doen en zichzelf te ontplooien. De reis brengt de mens in contact met andere culturen en leefwijzen, andere ideeën en gewoontes. Montaigne schreef in een van zijn Essays: “Ik ken geen betere methode om iemand te vormen dan hem voortdurend te confronteren met de verscheidenheid van de levenswijze van andere mensen, van hun zeden en gebruiken, van hun geaardheid en hun opvattingen”. Het reizen wordt gezien als een bron van kennis, als voltooiing van de opvoeding. 

Grand Tour reizen: educatief en vermaak

In de 18e tot in het begin van de 20e eeuw was het in de hogere kringen van Engeland gebruik dat jong volwassenen een Grand Tour maakten op het Europese continent. Tijdens hun ‘rites de passage’ leerden ze niet alleen de klassieke kunsten kennen en waarderen, maar ook hadden ze gelegenheid hun wilde haren te verliezen. Bovenal leerden ze het beoefenen van de meest klassieke kunst van allemaal: ze deden de eerste seksuele ervaringen op en werden aldus rijp gemaakt voor het huwelijk.

Het moderne reizen: beleving

Vanaf de Romantiek (eind 18e eeuw) doemt de moderne toerist op: de mens voor wie de reis een doel in zichzelf is. De romantische reiziger wil tot zichzelf komen op authentieke plekken, die niet door de burgerlijke en industriële maatschappij zijn aangetast. Het donkere woud, de kust en de weidse zee, het stille meer, het diepe dal en het hoge gebergte vormen voor hem de nieuwe 'heilige' plaatsen. De natuur heeft een intrinsieke waarde, een soevereine schoonheid die haar verheft boven haar nuttige functie voor de mens [1]. De romantische reiziger gaat over ongebaande wegen. Hij wil alleen zijn en oog in oog staan met de overweldigende, unheimliche natuur. Natuur moet emoties opwekken, ontroeren en zelfs huiveringwekkend en beangstigend zijn. In moderne termen: “men moet de natuur beléven.”

Nieuwsgierig naar het vervolg? Lees het in mijn volgende blog.

[1] De reiziger en de toerist, Cyril Lansink, Intermediair, 19-07-2002.

Deze blog is geschreven door Bertus van der Tuuk